Paragrafen

4. Financiering

Om een grens te stellen aan kortlopende financiering is in de Wet Fido de kasgeldlimiet opgenomen. De kasgeldlimiet wordt bepaald door het begrotingstotaal bij aanvang van het dienstjaar te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van 8,5%. De kasgeldlimiet (de ruimte voor korte financiering) was in het verslagjaar (8,5% van het begrotingstotaal van € 96.463.000) € 8.199.000. Bij overschrijding van de kasgeldlimiet moet een langlopende geldlening worden aangetrokken.

Kasgeldlimiet (x € 1.000)

kwartaal 1

kwartaal 2

kwartaal 3

kwartaal 4

Omvang vlottende korte schuld (A)

3.975

4.618

4.975

4.158

Opgenomen gelden < 1 jaar

0

264

2.391

212

Schuld in rekening courant

3.975

4.354

2.584

3.946

Vlottende middelen (B)

43

664

3.449

1.681

Totaal netto vlottende schuld (A-B)

3.932

3.954

1.526

2.477

Toegestane kasgeldlimiet

8.199

8.199

8.199

8.199

Ruimte onder de kasgeldlimiet

4.267

4.246

6.674

5.722

Begrotingstotaal 2021 (C)

96.463

96.463

96.463

96.463

Percentageregeling (D)

8,5%

8,5%

8,5%

8,5%

Kasgeldlimiet (C x D)

8.199

8.199

8.199

8.199

In het verslagjaar is de kasgeldlimiet niet structureel overschreden. In het financieringstekort is voorzien door kasgeldleningen aan te trekken met een kortere looptijd. Dit is voordelig, omdat de korte rente over het algemeen lager is dan de lange rente. In 2021 was de korte rente negatief.

Deze pagina is gebouwd op 07/08/2022 16:45:42 met de export van 07/08/2022 16:40:41